sábado, 16 de julio de 2011

11 juli 2011 - Hoevenen Kortrijk

't Is vandaag 11 juli, we zullen dus maar eens naar Kortrijk fietsen... Rond 9 uur was het eindelijk zover. ingepakt en de bagage gemonteerd. Neurotisch zoals altijd denk ik na 500 meter: heb ik mijn GSM wel bij? Dus even in de fietstas die aan het stuur hangt gedoken, natuurlijk niets vergeten, loslaten en fietsen maar... Aan het Steen komen blijkbaar Spanjaarden me tegemoet want ze roepen al van ver: "Mira, miram este va a Santiago". Ik heb namelijk het teken van de Santiagoroute (staat bovenaan deze blog) aan het stuur gehangen, dat bespaart soms de vraag waar ik naartoe trek. Ik neem de Kennedytunnel om via het Waasland naar de westvlaanders te fietsen. Een symapthiek koppel (zij met een zwaar Duits accent) vraagt me waar dat heen moet met zoveel bagage? Ah bon, mijn stuurtas niet gezien met het teken van de route? Aangezien we in de lift zitten vraag ik aan mijnheer of hij zo vriendelijk zou willen zijn om een foto van me te nemen, hij kan namelijk toch niet weglopen met de camera... Een andere kerel ziet alles met lede ogen aan en vindt het blijkbaar maar niks die zever over Santiago en fietsen. Hij gooit dan ook ostentatief de liftdeuren voor onze neus dicht aan de linkeroever, wacht dus niet eens tot wij er aan komenm nochtans slechts 10 seconden later. Wacht maar manneke denk ik bij mezelf, boontje komt nog wel om zijn loontje... De empathie is ver te zoeken in deze wereld had ik deze week nog ergens gelezen.
Het Waasland is mij niet geheel onbekend: wij hebben tot mijn 12 jaar in Zwijndrecht gewoond, mijn tante woonde in Kemzeke, ik reed daar al eens naartoe met de fiets, al dan niet vergezeld van mijn grootvader. Toch rijd ik een eerste maal verkeerd in Melsele: bordje van de fietsknooppunten dat niet erg zichtbaar ergens verloren achter een hoekje hing, kan gebeuren, zal wel aan mijn zenuwen gelegen hebben waarschijnlijk, want dat ik zenuwachtig ben, dat is een feit.
In Beveren rijd ik voorbij het terras van mijn broer, die woont daar ergens op de markt. Geen teken van leven, blijkbaar gisteren wel want er staan vier lege bierflesjes op de terrastafel. Kan ook zijn dat ik me van terras vergist heb, ik weet namelijk niet precies of hij nu links of rechts woont.
Plots doemt er in het midden van het Waasland in de verte een paddestoelenwolk op: Doel natuurlijk, de kerncentrale. Blijkbaar is er geen zuchtje wind want de paddestoel schiet recht de hoogte in. Dat moet uiteraard op de foto. Het toestel heb ik op het vlinderstuur gelegd (het is nogal zwaar en omvangrijk) zodat ik het altijd vlug bij de hand heb. Een kiekje is zo gemaakt dan, toestel terug op het stuur gelegd, daar gaan we weer... tot plots een oneffenheid in de weg de camera de grond op dondert. Miljaar!!! Zal toch niet kapot zijn zeker, want dat zou een kleine ramp zijn (alles is relatief natuurlijk...). Eventjes checken of alles nog werkt, is OK, ik kan de net genomen foto bekijken dus ik denk dat er niets aan de hand is. Even verderop staat een wegwijzer naar de grot van onze O.L.Vrouw der fietsers. Maar als ik dat op de gevoelige plaat wil vastleggen, krijg ik de beschermdop van de lens er niet af. Blijkbaar is de camera aan die kant met de aardbol in aanraking gekomen en door de schok is de dop helemaal in de lens gedrukt. Ik heb er wel een polarisatiefilter op zitten om de lens zélf te beschermen tegen krassen, dus draai ik die eraf en zie dat die helemaal gebarsten is, aan de lens is gelukkig niets aan, dus vanaf nu wordt het foto's nemen zonder polafilter, dat wil zeggen dat er reflectie kan optreden (op het water bijvoorbeeld) en dat er minder contrast is tussen de wolken en de lucht. Het zal u waarschijnlijk worst wezen, maar ik vind het jammer. Misschien dat ik deze namiddag in Kortrijk een nieuwe kan kopen, dan zal ik wel vóór 6 uur moeten aankomen want hier is geen openingsuur tot 10 uur 's avonds zoals in Spanje. We danken echter natuurlijk eerst O.L.Vrouw der fietsers dat de camera zélf niet stuk is.


Het Wase landschap is een ware lust voor het oog: groen met de nodige bossen, afgewisseld met uitgestrekte velden. In Stekene zie ik achter hoog opgeschoten maïsstengels langs de kant van de weg een klein ventje (een ukkie van een jaar of zes) alleen in de berm zitten, hij probeert verwoed en tevergeefs zijn schoenen uit te trekken. Zou die daar alleen zijn vraag ik mij af, dat zou straf zijn in deze tijden, vroeger was dat natuurlijk heel gewoon. Ik herinner me dat mijn tante me wel eens met de fiets van Kemzeke naar Stekene stuurde om “rauwe hesp” die ikzelf zo graag lustte, vandaar mijn voorliefde voor Jamón Serrano of Ibérico waarschijnlijk. Ah nee, zijn “pépé” komt al vanachter de maïs opgedoken, waarschijnlijk even een kleine boodschap gaan doen (nee niet om rauwe hesp te gaan halen, eerder om de patatjes af te gieten). Ik krijg een “déjá vu” van jewelste: ook ik heb hier rondgefietst met mijn pépé die me de liefde voor de fiets er heeft euh… ingepompt zeg maar, hij pendelde dikwijls over en weer tussen Antwerpen waar hijzelf woonde en Kemzeke waar zijn dochters een café uitbaatten. In het bos achter dat café had hij trouwens een heel fietsparcours aangelegd voor zijn kleinkinderen (6 stuks) waar we vooral in de zomer weleens “Tour de France” speelden, met tijdritten of gewoon tegen elkaar een paar rondjes koersen. Hij zou trots op me zijn denk ik mocht hij weten dat ik tot in Santiago ga fietsen deze keer.
Al een hele tijd volg ik nu hetzelfde landschap, dat wil zeggen: aan de rechterzijde bossen, en aan de linkerzijde water. Een lieflijk tafereeltje doet me even glimlachen: een ouder vrouwtje zit rustig te genieten in de schaduw van haar kabbelend watervalletje in haar mooi aangelegde tuin. Meer moet dat niet zijn, de mooiste belevenissen in een mensenbestaan zijn gratis. Ook voor mij is het volop genieten op deze prachtige zomerdag: het is niet té warm, de zon schijnt dat het een lieve lust is en een heerlijk briesje brengt de nodige verkoeling. Er zijn heel wat mooie tafereeltjes te bewonderen langs deze route die nu voorbij Moerbeke komt, o.a. een groepje treurwilgen die heel solidair hun takken tot in het water hangen. De weerspiegeling in het water geeft natuurlijk het tegenovergestelde effect, alsof die wil zeggen: “Kop op jongens, het komt allemaal wel goed!”. Ja met dit weer zien zelfs de treurwilgen er enigszins vrolijk uit. Ondertussen slingert de weg zich langs de vaart: af en toe oversteken via de meest uiteenlopende soort bruggetjes. Hier en daar een bankje dat uitnodigt tot een rustpauze, waarvan ik even gebruik maak om de innerlijke mens te versterken: ik ga mijn boterhammetjes niet meenemen naar Frankrijk of Spanje, en ik zal mijn krachten nog wel nodig hebben vandaag wil ik de 135 kilometer volmaken.
Aan één van die bruggetjes is de weg weer niet al te duidelijk aangeduid, dan maar even de medemens aangesproken. Op een ideaal gelegen terras zit een sympathiek figuur die me zeker de weg zal kunnen wijzen denk ik want hij ziet eruit alsof hij hier al jaren de voorbijkomende fietsers en wandelaars in het oog houdt: volop genietend van zijn zelfgerold sigaretje en donker bier neemt hij alles in zich op en zijn kraaloogjes blinken alsof hij wil zeggen: “God schiep de dag en ik breng hem rond met hier te zitten genieten”. “Mijnheer heeft serieus wat bagage bij” en zijn serieus klinkt net als de serieus van José De Cauwer, ’t is te zeggen “sjereusj”. Ah ja, ik moet naar Santiago de Compostela, en of hij de weg kent? Nee, dat kan hij niet zeggen, hij zit zelf nóóit op de fiets (en zo ziet hij er ook uit: ‘k denk niet dat zijn lange manen het lang zouden uithouden mocht hij zich bukken naar de drinkbus) maar de cafébaas zal me zeker wel kunnen helpen verzekert hij me met een brede glimlach. Ah ja zegt die laatste, iedereen rijdt langs hier (langs de vaart) tot in Kortrijk. Naar waar moet ik vandaag vraagt de beroepsterrasser me? Wel, naar Kortrijk ook. Ah ja, zegt hij, ’t is “half juli”. “Half juli?” vraag ik? Wat betekent dat? Nee, niet half, “elf” juli (maar het klinkt als half in dat Moerbeeks accent). Ach ja, inderdaad, ’t is vandaag elf juli, Gulden Sporenslag 1302, Vlaamse feestdag, dat wordt natuurlijk in Kortrijk uitbundig herdacht. Dat belooft alvast voor vanavond denk ik dan. Na beide heren bedankt te hebben voor hun bereidwillige en sympathieke assistentie zet ik mijn weg verder langs het kronkelbaantje langsheen de vaart. Plots krijg ik in de gaten dat er meer en meer industrie langs het water opduikt: dat is een teken dat ik Gent nader. Ik moet zelfs een veer nemen en dat had ik niet voorzien in mijn tijdsschema. Gelukkig vaart dat blijkbaar constant heen en weer en moet ik slechts twee minuutjes wachten want het was al in aantocht. Het is hier blijkbaar een drukke passage want de veerboot staat vol auto’s, brommers, fietsers en wandelaars. En het is gratis: dankuwel Vlaamse Gemeenschap, onze belastingen worden toch wel goed besteed af en toe.
Tot in Kortrijk gaat de route nu verder langs het water (verandert op een gegeven moment in de Leie) en op de duur is dat toch wel vrij eentonig. Totdat ik de aanwezigheid bemerk van twee mensen achter me die vrij vlug fietsten en me gingen voorbijsteken, maar als ze een paar meter achter me zijn gekomen houden ze in en beginnen op gedempte toon iets tegen elkaar te zeggen dat blijkbaar over mij gaat. Ik ben op mijn hoede en vrij achterdochtig als ze naast me komen rijden, maar vragen me dan vriendelijk waar dat heen moet met zoveel bagage? Ze vragen me honderduit over vanalles en nog wat, blijkt dat ze ook op fietsvakantie zijn maar zonder bagage. Hoe doen ze dat? Wel ze zitten op een camping even verderop en doen dan uitstappen met de fiets, dan moeten ze niet te veel sleuren met al het gerief, vandaar hun interesse over wat ik allemaal mee heb.  Ze bewonderen me dat ik dat elke dag allemaal vervoer en dat helemaal tot in Santiago al sla ik het stuk Frankrijk over. Enfin, bewonderen, ze fluiten eens tussen hun tanden, kan ook zijn dat ze me integraal vatbaar voor het krankzinnigengesticht verklaren (goe zot dus). Het is een reactie die ik wel meer zal tegenkomen op mijn tocht denk ik dan, en ik kan de mensen geen ongelijk geven. Ik ben inderdaad heel zwaar beladen, door de kledij die ik nodig heb voor de twee weken cursus in Santander, en de slaapzak erbovenop aangevuld met allerlei herstelgerief voor de fiets, onder andere twee reserve binnenbanden, die neem ik altijd mee op zulk een tocht: bij een lekke band is het makkelijker even die binnenband te vervangen en dan kan je de lek ’s avonds op het gemakske repareren. Het lijkt dus enorm veel wat ik bijheb, en dat is het ook. Ik lijk wel een schildpad met obesitas.
Mijn gemiddelde snelheid is ondertussen gedaald merk ik: waar die voordien rond de 21 kilometer schommelde is die nu gezakt tot onder de 20. De vermoeidheid begint zich in mijn spieren en knoken te nestelen en een gebrek aan vocht doet me ook al geen goed. Even de voorraad Aquarius aanspreken, een halve liter gaat er heel vlot in. Een halve reep Isostar erbij en we kunnen er weer tegen. Opmerkelijk toch hoe vlug het menselijk lichaam zich herstelt. Eten en drinken is heel belangrijk op de fiets, vraag het maar aan de beroepsrenners.
Aldus de klop van de voorhamer vermijdend, kom ik rond 18.00 uur in Kortrijk aan waar een ontspannen sfeertje hangt, het verkeer is er lui en tamelijk afwezig, heeft alles te maken met die vrije dag natuurlijk. Het is even zoeken naar de jeugdherberg maar de GPS (een moderne pelgrim moet op alles voorzien zijn) wijst me de weg. Een sympathiek koppel staat in voor het beheer van de jeugdherberg en ze doen érg hun best, dat blijkt vooral uit hun taalgebruik dat voor mij als Antwerpenaar tóch goed verstaanbaar is, dat wil zeggen dat het niet klinkt als de gebruikelijke aangeblazen g’s (lees: hees) gevolgd door die typisch scherpe westvlaamse e waardoor je onmogelijk de verschillende woorden apart herkent. ’t Is toch een merkwaardig taaltje het Vlaams: zoveel verschillen op zulk een kleine oppervlakte, als je dan bedenkt dat de Spanjaarden en de Latijnsamerikanen elkaar perfect verstaan… Een jonge knaap van ongeveer 14-15 jaar is aan het inchecken, zijn moeder legt hem nog de gebruikelijke gang van zaken uit. “En om 11 uur in a bedde hé Tommeke!” zegt ze nog enigszins bezorgd. “Zal ik hem controleren mevrouw?” zeg ik met een knipoog. Maar nee zegt ze, ze vertrouwt hem voor de volle 100%. Het ziet er inderdaad een braaf manneke uit, ongeveer zoals ik toen ik die leeftijd had . Het is ondertussen de hoogste tijd voor de eerste douche want het stof van half Vlaanderen hangt aan mijn ledenen en ondertussen hangt al die typische pelgrimgeur rond mij: een mengeling van “geronnen” zweet en zonnecrème, en die geur glijdt tijdens de dag helemaal naar beneden tot in de schoenen en kousen en zal me waarschijnlijk heel de fietstocht pertinent blijven achtervolgen, of zelfs straffer nog: die zal me vóórgaan als een bode die mijn komst aankondigt. “Ge komt precies van nogal ver” zei de vrouw aan de receptie nog. Ik vraag me af of ze dat afleidt uit mijn geur of mijn (toch wel ietwat) Antwerps accent. Maar een douchke doet wonderen, ik begrijp nu waar ze het woord “herbronnen” vandaan halen. Water is een zegen op aarde als het in de juiste hoeveelheid wordt aangeboden. Terug op de kamer gekomen blijkt dat Tommeke hier ook zal slapen want zijn knuffel ligt al mooi op zijn hoofdkussen te wachten op hem. Hmmm, net van onder moeders vleugels maar toch nog niet helemaal denk ik dan. Moet kunnen, er is sowieso al te weinig tederheid in de wereld (ja sorry, ik heb nog 10 jaar in Kruibeke gewoond en de invloed van de “lieve” Denert doet zich nog steeds voelen).

Als ik mijn splinternieuwe lidkaart van de Vlaamse Jeugdherbergen wil opbergen (het was alles samen voor kamer, ontbijt en lidkaart voor een jaar 29,90 euro, een prikje zeg maar) vind ik een briefje van mijn vrouwke die me smeekt heelhuids terug te keren want ze zou niet zonder mij verder kunnen zegt ze. Ik voel me net Cavendish in de Tour de France, met het verschil dat die voor élke dag een briefje heeft meegekregen en dat is eraan te merken want hij wint de ene sprint na de andere. Voor mij heeft het het tegenovergestelde effect, ’t is te zeggen: ik ga geen zotte toeren doen en uiterst snel willen gaan, nee nee, op het gemakske en safety first want van de briefje krijg ik toch wel een beetje een krop in de keel (geen gezicht, ik geef het toe, ik lijk wel een postduif, maar dan een blonde versie in plaats van grijs maar dat komt nog want de jaren vorderen, als het maar geen kale duif wordt…). Tijd om op zoek te gaan naar een lekkere hap. Ik wandel even de stad rond en merk dat het hier vrij doods is en dat de meerderheid op straat allochtonen zijn, vooral van het oostblok zo te horen aan hun taal en te zien aan die typische balkankopjes. In de buurt van het station zit wel veel jeugd maar die zitten in groepjes van 4 of meer gezellig op de terrasjes te drinken of te eten, als enkeling val ik hier uit de toon denk ik dan en qua leeftijd al helemaal, dus het zal waarschijnlijk een pita worden want als ik in een café waar ze ook snacks serveren vraag wat er zoal te eten valt, zegt men me “Niks nie meer” want de keuken is nét gesloten om 21 uur. En ja het is hier vrij kalm vandaag maar dat was gisteren wel anders want dat was de vooravond van een vrije dag voor de mensen en toen was het overal koppenlopen in Kortrijk, maar nee, spijtig, iets te eten is er niet meer. Ja het is hier Spanje niet denk ik dan, daar kan ik tenminste om 9 uur al iets te bikken krijgen (en dan word je nog wel aangekeken omdat je al zo “vroeg” komt eten). Eigenlijk heb ik geen zin om terug naar het station te gaan en die pita te eten, er is hier ook een frituur op het hoekje, frituur “Groeninghe”. Ik hoop maar dat de naam van het frituur geen allusie is op de kleur van de frieten die ál te lang op een klant liggen te wachten en stap binnen want een écht frietkot zoals vroeger op straat, dat vind je niet meer door al die wettelijke bepalingen van onze geliefde overheid. Er zitten wel wat mensen hun frietjes op te eten op het terras (het is een verkeersvrij plein) maar dat is me nét iets te fris. Een pronte blonde staat achter de toonbank en serveert me mijn friet met curryworst special (ideaal om afscheid te nemen van de hoogstaande Belgische culinaire wereld ;-) ). Ik moet zeggen: lang geleden dat ik zulke lekkere frieten heb gegeten in een frietkot, dat moet geleden zijn van sinds dat het Keverke in Zoersel werd overgenomen door Chinezen. Ik complimenteer de eigenares dan ook met haar uitstekende friet en zegt: “Allee, dan einik chance” in dat sappig Kortrijks. Jaja, chance dat een “allochtoon” uit Antwerpen zoals ik de Kortrijkse friet lust en hier gratis reclame maakt. “Zeg moar daze frietjes moe’en kommen eten bij Christel” zegt ze me nog. Zal ik zeker doen! Oké ze zal misschien nooit de eerste prijs winnen in “Mijn Restaurant”, maar dan toch wel in “Mijn Frietkot” (misschien een idee voor de VTM?). Ik stel me alvast kandidaat als jurylid (als dat programma niet te lang duurt tenminste of we zijn dan 30 kilo verder…). Het zullen méér dan waarschijnlijk de beste frieten zijn van heel mijn tocht, want frieten bakken zoals bij ons, dat kunnen ze niet in Spanje, en hoewel de Amerikanen het “French fries” noemen, in Frankrijk ook niet. De beste friet is natuurlijk te eten bij ons thuis als Anneke die klaarmaakt, en haar zelfgemaakte mayonaise dan! Heerlijk, dat is steeds een festijn als dat geserveerd wordt (wat niet zo vaak voorkomt, gezonde voeding staat hoog in het vaandel ten huize Dias…). Een goeie friet moet je ook steeds doorspoelen met een frisse pint, dus in de Jeugdherberg neem ik er nog ene, en twee zelfs, per slot van rekening heb ik vandaag wel wat vocht verloren op deze heerlijke zomerdag. Ik ben niet lang alleen aan den toog, er komt een kerel bijzitten van rond de 35, en die begint plots en zonder aanleiding honderduit te vertellen over vanalles en nog wat en is niet te stuiten want na 5 minuten weet ik al dat hij hier in Kortrijk is voor zijn werk, morgen naar Antwerpen moet, en getrouwd is met een Nederlandse. Vluchten kan nog net denk ik dan, ik ga pitten want ik moet er vroeg uit, ik zou morgen ten laatste om 9 uur moeten weg zijn, 8.30 zou eigenlijk beter zijn mompel ik nog als excuus. Na het tandenpoetsen kom ik terug op de kamer en wie zit daar ook, jawel: mijnheer Kwebbelmans van daarnet. Hij begint weer te kwebbelen dat het een lieve lust is, maar hij moet nog douchen zegt hij na een reeks van 50 volzinnen die wel de aanloop lijken naar een lange preek waar onze priester-directeur (door de leerlingen lieflijk “poempbak” genoemd) jaloers op zou geweest zijn. Ja neem dan maar vlug een douche verzeker ik hem want het is al 11 uur en ik ga slapen. Nog vooraleer mijn hoofd het kopkussen raakt val ik al als een blok in slaap en hoor niet meer hoe Kwebbelmans tegen zichzelf pratend naar de douche trekt.

AFSTAND: 136,97 KM / TIJD: 7:30 / GEMIDDELDE: 18,46 / MAXIMUM SNELHEID: 38,16






No hay comentarios:

Publicar un comentario